Verba volant
scripta manent

Blog: Hiep hiep!

“Oh, dus je bent zo’n taal-nazi!” zei hij met een duidelijk hoorbare afkeer in zijn stem toen hij hoorde dat ik stukjes schrijf voor mijn werk. “Nee, natuurlijk niet…” mompelde ik onverstaanbaar en bedacht me al die keren dat ik een film niet kon volgen omdat de ondertiteling vol fouten stond of de zinloze gewoonte screenshots te maken van journalistieke teksten waar een foutje in geslopen is. “Ik hou gewoon van taal.” Zelf vond ik het een prachtige verklaring, waar niet aan te tornen valt, maar uit zijn blik maakte ik op dat taal niet iets is om van te houden. Ik piekerde ondertussen of ik niet beter ‘ik houd gewoon van taal’ had moeten zeggen. Bij spreken en informele taal is de d eigenlijk niet echt gewenst. Maar het had misschien in dit geval wat kracht bij kunnen zetten en taalkundig gezien mag die d daar gewoon staan. Net toen ik besloten had dat ik het precies goed aangepakt had, merkte ik op dat hij weg was. Gelukkig. Ik had geen trek in een zinloze discussie.
 
Vijf jaar was ik, toen ik mijn vader vroeg wat lezen nou precies was. Mijn vader legde geduldig uit dat we zesentwintig letters hebben die we allemaal een klank hebben gegeven. En als je die letters in een bepaalde volgorde zette, daar een woord uitkwam. H-o-k gaf hij als voorbeeld. 
Hij schreef in zijn bijna onleesbare hanenpoten alle letters op en benoemde de klanken. Dagenlang vroeg ik als hij uit zijn werk kwam welke klank er ook al weer bij welke letter hoorde en een paar weken later kon ik lezen. In eerste instantie vond ik het heel interessant om woorden uit een tekst te halen. Dan had ik de krant voor me en las dan t-r-o-t-s of k-a-p-o-t. Toen ik mijn vader vroeg wat a-b-o-r-t-u-s betekende besloot hij dat de krant niet de beste lectuur voor me was en mocht ik plotseling elke week mee naar de bibliotheek. Er ging een wereld voor me open en ik besefte opeens dat als je woordjes kunt lezen je ook boeken en verhalen kon lezen! De bibliotheek was voor mij meteen met afstand de mooiste plek van ons dorp en we kwamen er bijna elke dinsdag en donderdag. Alles waar ik nieuwsgierig naar was, en nieuwsgierig ben ik altijd al geweest, kon ik daar vinden. 

Toen ik in de eerste klas kwam, de huidige groep 3, leerden de leerlingen eigenlijk lezen en hoewel ik dat al kon vond ik de lessen wel heel interessant. Naast lezen leerde je ook schrijven en ik herinner me nog als de dag van gisteren wat een openbaring dat was! Want... als je letters kunt schrijven kun je woorden maken. En als je woorden kunt maken kun je zinnen maken. En met zinnen maak je verhalen. Het betekende opeens dat ik zelf verhalen kon schrijven, dat ik het verloop van het verhaal kon bepalen en ik de personages kon bedenken. Ik had de controle over het plot, het ongelukkige misverstand en de verrassende ontknoping. En zo schreef ik mijn eerste stukje.

Vanaf dat moment schreef ik dagboeken vol (die ik allemaal nog heb) maar vond ik het schrijven van verhalen wel echt heel eng. Meer nog dan in mijn dagboeken, had ik het gevoel in elke tekst iets van mezelf te leggen en ik durfde mezelf op die manier niet bloot te geven. Dus ik liet niemand iets lezen. Zelfs als de verhalen pure fictie waren, herkende ik delen van mezelf in het verhaal. Ik beschreef een huis zoals ik hem een keer in dat doodlopende straatje had gezien, ik liet iemand knoeien met een moorkop zoals mijn tante dat op haar verjaardag had gedaan en als iemand me iets vertelde over zijn werk of hobby kwam dat gegarandeerd in mijn eerstvolgende epistel terug. Schrijven is creëren, iets verzinnen wat er nog niet is, of iets in een andere volgorde of op een andere plek laten plaatsvinden met andere personages of een ander gevolg. Schrijven kan natuurlijk ook een weergave van de werkelijkheid zijn, waarbij je de macht hebt die weergave bijvoorbeeld educatief, spannend of treurig te maken. Schrijven is fantastisch en onze taal biedt een eindeloze hoeveelheid mogelijkheden. En ja, ik hou ervan. Met heel mijn hart. Het is fantastisch en nog steeds doodeng.
 
Ik ben geen taal-nazi, ondanks de screenshots. Ik merk fouten vaak op, maar laten we eerlijk zijn: de fouten die ik niet opmerk blijven voor mij dus onopgemerkt. Wie weet hoeveel fouten er in mijn omgeving zijn die ik niet registreer. Een enkel keertje verbeter ik iemand, maar volgens mij moet je, om een goede taal-nazi te zijn, de fouten iedere keer benoemen. En dat verzuim ik.
Als ik mijn verhalen schrijf met alle vrijheid die ik van mijn geliefde letters krijg, staat het verhaal na de laatste punt vast. Zwart op wit. Klaar om er wat van te vinden. Doodeng.

Inmiddels schrijf ik dus voor mijn werk. Columns, redactionele stukken, artikelen of persberichten. Met overigens nog net zoveel angst, maar tevens met heel veel voldoening. Na die laatste punt komt er vaak een grijns op mijn gezicht. Ik heb iets geschreven wat er nog niet was. Misschien iets wat erop lijkt of met eenzelfde onderwerp, maar dit specifieke stukje tekst was er nog niet voor ik eraan begon. Ik! Zo belangrijk ben ik dus. Ik schrijf dingen die er anders niet geweest zouden zijn. Een unicum!
(Hoewel ik, toen ik laatst de kliko aan de weg zette, me realiseerde dat ik deze kliko, op deze specifieke dag, nog niet eerder aan deze weg gezet had. Eigenlijk ook een unicum. Daar kan je wakker van liggen, daar kan je ook van genieten.)
 
In 2002 was ik ook stukjesschrijver. Ik deed dat voor een uitgever die mijn stukjes erg waardeerde. Maar ik wilde meer stukjes schrijven, andere stukjes ook. En, dat heb je met een creatief beroep, soms wilde het op maandagochtend om 9.00 niet meteen lukken waar ik zaterdag om half één ’s nachts vol inspiratie zat. Ik besloot voor mezelf te beginnen. Dat is eigenlijk net zoiets als met zeven laagjes kleren, een rugzak vol stenen en schoenen met stalen neuzen van een boot af zó de oceaan inspringen. Natuurlijk heb je je zwemdiploma, maar als je kleren meer wegen dan jij en niet zo van drijven houden, is zwemmen een behoorlijke uitdaging. En ik heb dus helemaal geen stukjesschrijversdiploma.
 
Schrijven is emotie. Je vangt een verhaal, je geeft het verhaal een introductie, het maakt een reis, het krijgt een bestemming. En je geeft het een hart. Als het goed is, begrijpen mensen dan wat je bedoelt. En dat is het wel zo’n beetje. En natuurlijk zijn er heel veel regels waar je je aan moet houden. Zo moeten je deetjes en teetjes op orde zijn. Mag je niet vervallen in cliché’s (waar ik eigenlijk ook zo van hou) moeten je metaforen kloppen en dat geldt ook voor titels. Schrijven volgens de regels is verrekte lastig. Laten we het erop houden dat ik mijn best doe.
 
Maar, en nu komt de aap uit de mouw, waar ik dus eigenlijk naar toe wilde in dit best wel lang geworden stukje wat volgens de regels dus ook helemaal niet mag, laat staan met zoveel komma’s erin: vandaag is het 1 september 2017. En dat betekent dat ik exact 15 jaar geleden voor mezelf begonnen ben. Ik heb me 15 jaar geleden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, waarmee alles opeens voor het echie was. Nathalie Thielen Tekst was geboren.
(Gezegd hebbende dat ‘echie’ geen echt woord is maar ik bepaal dus lekker zelf wat ik schrijf.)
 
Hiep hiep.
Hiep hiep hoera.
Nathalie Thielen Tekst is 15 jaar.
 
En daar ben ik dus heel erg trots op. Dat is bijna net zo’n lekker gevoel als je stukje af hebben.